Home Algemeen Geschiedenis Koningen & Keizers Leden Onderdelen Contact

Het ontstaan tot heden

Net als vele andere gilden was het gilde van Groeningen van oorsprong een Broederschap ter ere van de heilige wiens naam men voerde. Deze broederschappen gingen rond 1400 overal in gilden over en daarom dateren ook de meeste gilden van 1450-1500. Deze gilden waren voornamelijk kerkelijke broederschappen welke als voornaamste geestelijk doel de beoefening der christelijke deugden hadden. De broeders moesten net als nu nog het geval is een christelijk geloof hebben en van onbesproken gedrag zijn.
Omdat deze gilden in deze onveilige tijden vaak de kerken en dorpen moesten beschermen tegen roof en brandstichting werden deze van oorsprong geestelijke broederschappen tenslotte vaak omgevormd tot gewapende schuttersgilden. Deze kerkelijke dorpsgilden kwamen alleen op voor de plaatselijke en dorpsbelangen. Naast de gewapende bescherming van de kerk en haar eigendommen en tevens die van eigen huis en haard, streefden deze gilden ook sociale doeleinden na, zoals hulp verlenen bij plaatselijke rampen zoals pest en watersnood.
Het gilde van Groeningen werd officieel opgericht op 4 april 1494, op de zogehete Ambrosiusdag. Het gilde kende heroprichtingsdata op 14 januari 1685 en in de jaren 1714 en 1716. In het archief van het gilde bevinden zich drie kopieën uit verschillende jaren van een brief waarin over dit gebeuren is geschreven. In deze brief staat de volgende aanhef geschreven: “Alsoo ter ere Godts ende den Heijligen Antonius onse voorouders, In den jaere ons Heere 1494 vermoegens segel ende brieven hebben opgericht een vriendelijcke broederschap ofte gilde”. De teksten van de kopie uit 1686 en 1714 komen met elkaar overeen. In de derde kopie uit het jaar 1716 is alleen de Heilige Sint Nicolaas als patroonheilige toegevoegd. Het is niet geheel duidelijk waarom dit is gedaan. Misschien was deze heilige de patroon van de bidkapel die behoorde bij het kasteel “de Voirt”. Omdat Jonker Jurien van de Voort en Jonker Godewart van de Voort, de bewoners van kasteel “de Voirt”, lid van het gilde waren zou hiermee een verband gelegd kunnen worden. Dhr. Leget uit Nijmegen geeft hiervoor een andere verklaring, hij vertelt namelijk dat de heilige Sint Nicolaas door de paters Augustijnen bijzonder werd vereerd. Frater matteus Arnoldi was tot 1681 pastoor te Vierlingsbeek en daar hij van de orde van de Augustijnen was kan mogelijk ook daardoor de toevoeging van de Heilige Sint Nicolaas als patroon verklaard worden.
Het gilde heeft nog steeds de ronde zilveren “patroonsplaat” (ook wel het juweel genoemd) en de zilveren koningsvogel in haar bezit. De patroonsplaat was oorspronkelijk het onderscheidingsteken van de Broederschap van de heiligen Antonius en Nicolaas te Groeningen. Toen deze broederschap ook de taak van beschutting van kerk en huis (van hèrd en outaar) op zich nam en er daarom schietwedstrijden gehouden werden, voegde men aan deze patroonsplaat de zilveren koningsvogel toe. Omdat de papegaai aan de vorstenhoven de koningsvogel bij uitstek was, werd de vogel bij het gilde ook een papegaai. De patroonsplaat en de koningsvogel (beide uit omstreeks 1642) vormen samen de koningsketen of koningsbreuk, welke wordt gebruikt ter onderscheiding van de gildekoning. Hieraan werden en worden nog steeds de koningsschilden gehangen die elke koning bij zijn koningschap kan schenken.

In het verleden was er uiteraard een sterke binding tussen het gilde en de kapel. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de financiën van de kapel door het gilde werden beheerd en dit kwam nergens anders in Brabant voor. Er waren twee gildemeesters die voor een periode van 2 jaar belast waren met deze taak. Elk jaar moest er één van deze gildemeesters aftreden. Er bestaat nog een lijst met namen van hen die gildemeester waren en deze lijst begint met het jaartal 1636. Daarin is te zien dat steeds om de twee jaar een naam verdwijnt en er een nieuwe naam wordt toegevoegd. Ieder jaar moesten ze verantwoording afleggen aan het gilde, de bewoners van Groeningen en de pastoor van Beek. Deze boekhouding is bewaard gebleven in het “Reeckenboek vant Sint Antoniusgild” en is ruim 550 jaar oud. De Groeningse kapel werd in 1648 aan de katholieke gemeenschap onttrokken en tijdens de Franse bezetting werd deze op 28 januari 1802 teruggegeven. Er werden toen nieuwe contracten opgemaakt en voor het eerst was er toen sprake van kapelmeesters. Na 1830 namen deze ook het beheer van de kapel over van het Gilde van Groeningen en had het gilde dus geen bemoeienis meer met de kapelfinanciën. Vroeger nam het gilde ook de plaats in van de tegenwoordige leenbanken en ook dit is te zien in het “Reeckenboek vant Sint Antoniusgild”. Gelden van het gilde konden worden uitgeleend, maar alleen met een vast goed als onderpand. Van zo'n lening werd dan een akte opgemaakt.

Het gilde heeft twee feestdagen, voorafgegaan door een Heilige Mis voor de overleden gildebroeders. Eerst werden voor deze dagen St. Maria Magdalenadag en St. Paulusdag aangegeven, maar later werden dit St. Anthoniusdag (17 januari) en 2 e Pinksterdag.
Wanneer men lid van het gilde wilde worden, dan betaalde men een half pond was en later veranderde men dit in het betalen van één gulden. Men was bovendien verplicht om twee eikenbomen te planten. Bovendien moest de gildebroeder erop toezien dat deze eikenbomen volwassen werden. In het midden van het dorp was een driehoekig plein en hierop moesten deze bomen worden geplant. Als de bomen volwassen waren, werden ze ten bate van het gilde en de kapel gekapt en verkocht. Deze houtverkoop was vastgelegd in een reglement. Wanneer men wilde uittreden betaalde men 1 pond was.
Het gilde zorgde ook voor de verdediging van het dorp. In de tachtigjarige oorlog werd op het plein een verdedigingsschans gebouwd, waarin de inwoners zich met al hun bezittingen konden terugtrekken. Het is niet bekend hoe deze schans er heeft uitgezien, wel is bekend dat er zich schuren in de schans bevonden. Na de tachtigjarige oorlog werd deze schans weer afgebroken. Op dat moment ontstond er onenigheid over het eigendomsrecht van de grond waarop de schans zich bevond tussen het gilde en de inwoners van Groeningen enerzijds en het gemeentebestuur van Vierlingsbeek anderzijds. De ene partij beweerde dat de grond aan het gilde toebehoorde en de andere partij beweerde dat de grond aan de Beekse kerk zou behoren. Uiteindelijk is deze onenigheid beslecht en sindsdien is het plein niet meer het eigendom van het gilde. Het enige stukje grond dat het gilde toen nog bezat was het terrein waar de schutsboom was geplaatst.
Nog steeds onderneemt het gilde verschillende activiteiten. Vaste activiteiten gedurende ieder gildeseizoen zijn nog steeds de nieuwjaarsreceptie, de algemene vergadering in de eerste week van januari, de teerdag op de patroonsdag van Sint Antonius omstreeks 17 januari, het koningschieten met Pinksteren, de koningin inhalen op Tweede Pinksterdag, het open schietconcours voor bedrijven en verenigingen en de gildemis in Vierlingsbeek met Allerheiligen.
Nog steeds heeft het gilde een sterke band met de kapel en sinds jaren ook met de Beekse kerk. De band met de kerk blijkt ook nog uit het gildelied dat door oud-pastoor G. de Vree werd geschreven en dat hieronder te lezen is.
Vanaf de tachtiger jaren heeft het gilde een erg grote bloei gekend en sinds die tijd zijn er veel nieuwe leden bijgekomen. Veel van deze nieuwe leden zijn bovendien jeugdige leden en dit is uiteraard heel gunstig voor de toekomst van het gilde.

Klik hier voor het Gildelied

Bron:

- Alem, H. van, e.a., (1983), De Gouden Guld 1933-1983, Kring van Schuttersgilden “Land van Cuijk” , Uitgeverij van Spijk b.v., Venlo (p. 247-251/528)

- Verhoeven, G., (1984), Vierlingsbeek – Groeningen, deel 1: Kerk en onderwijs , Drukkerij Schoth b.v., Boxmeer

 

 
Copyright 2004, Theun de Bruijn ^_^b